Publicatie: Gelijke kansen in de stad

16 mei vond in Pakhuis de Zwijger de presentatie van het boek “Gelijke kansen in de stad”, geredigeerd door Herman van de Werfhorst en Erna van Hest, plaats. Het boek is hier gratis te downloaden. Ik schreef een hoofdstuk over “kansen en ongelijkheid op de Amsterdamse woningmarkt”.

Op de avond sprak ik onderstaande tekst uit over woonongelijkheid:

In 2007 verhuisde ik naar Amsterdam. Ik kon niet wachten om Maastricht, ook geen onaardige stad, te verruilen voor een échte stad. Ik huurde illegaal een kamer in de buurt van het toen nog grauwe Waterlandplein. Vanuit mijn kamer had ik uitzicht op de ringweg aan de rand van Noord, en Waterland een stukje verder. Die kamer was zeker niet de beste deal. Toch vond ik het geweldig om in Amsterdam te zijn.

De stad bood mij en vele andere kansen; kansen om interessante dingen te doen; kansen om de sociale ladder te beklimmen; kansen om anders te zijn. Lou Reed zong het al:

“I hate being odd in a small town
If they stare let them stare in New York City”

Overal ter wereld zijn steden de plekken waar universiteiten en hogescholen concentreren, waar banen te vinden zijn, waar de kunst is. Ook de liefde bevindt zich in de stad – hier vind je je partner. Steden oefenen daarom een haast onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op mensen van allerlei komaf. Met mij trokken er vele anderen naar Amsterdam. Sinds ik vanuit Maastricht hier kwam wonen is Amsterdam met ongeveer 120.000 inwoners gegroeid – pak ‘m beet het aantal inwoners van Maastricht.

In die periode is wonen in de stad flink duurder geworden. Het zal niemand verrassen als ik zeg dat het lastig is een woning te vinden in de stad; laat staan een betaalbare woning. Sinds 2013, het dieptepunt van de mondiale financiële crisis, zijn de gemiddelde huizenprijzen in Amsterdam met meer dan 2 ton gestegen tot 470,000 euro. Dat is twee ton in vijf jaar tijd; ofwel 40,000 euro per jaar; ofwel meer dan het inkomen van de modale Nederlander.

Het lijkt wellicht logisch de hoge prijzen op de woningmarkt als gevolg van de populariteit en het succes van de stad te zien. Het risico is echter dat onbetaalbaarheid op die manier een natuurlijke ontwikkeling lijkt, terwijl er een aantal andere fundamentele ontwikkelingen en keuzes aan ten grondslag liggen.

Nederlands woonbeleid richt zich al decennia op uitbreiding van het eigenwoningbezit, meer marktwerking en minder sociale huur. De sociale huursector verwordt tot een laatste redmiddel voor de laagste inkomens; terwijl het ooit is opgebouwd als brede publieke voorziening voor een groot deel van de bevolking. Duurder wonen is jarenlang ook gemeentelijk beleid geweest. In 2007, het jaar dat ik hier kwam wonen, werd er een nieuwe Amsterdamse Woonvisie opgesteld. In deze Woonvisie viel te lezen dat er een overschot aan goedkope woningen was, en juist een gebrek aan dure woningen. Veel betaalbare sociale huurwoningen zijn verkocht, of gesloopt en vervangen door duurdere koopwoningen. Tussen 2002 en 2018 zijn er per saldo bijna 32,000 Amsterdamse corporatiewoningen verdwenen.

De politieke steun voor hoge woningprijzen en hoge huren is groot. Dit maakt vastgoed tot een aantrekkelijk investeringsobject. De gedachte dat huren geld weggooien en kopen sparen is, wordt met de paplepel in gegoten. Niet de woonfunctie, maar de investeringsfunctie van een woning bepaalt in toenemende mate de prijs die we betalen. Mede gedreven door lage rentestanden zien we in recente jaren de opmars van de particuliere belegger. Kleine particuliere beleggers kopen inmiddels zo’n 20% van alle woningen die in Amsterdam op de markt komen op. Ze verdringen reguliere woningzoekenden, koopstarters in het bijzonder.

Deze factoren – de grote druk op de stad, beleid gericht op duurder wonen, en de woning als investeringsobject – dragen bij aan toenemende sociale en ruimtelijke ongelijkheid in de stad.

Kopen is in toenemende mate voorbehouden voor de huishoudens die aan alle voorwaarden voldoen: ze hebben een dubbel hoog inkomen, een vast contract, en een flinke zak eigen of ouderlijk vermogen. Als je door alle hoepels heen weet te springen, biedt kopen veel voordelen. Niet in de laatste plaats zorgen stijgende woningprijzen er voor dat kopers veel overwaarde hebben. Dit woonvermogen is vervolgens weer noodzakelijk om vervolgstappen te zetten op de woningmarkt, voor jezelf of je kinderen. De woningmarkt is zo een spil in de grote vermogensongelijkheid in Nederland.

Tegelijkertijd nemen de armoede, onzekerheid en sociale problematiek in de sociale huur toe. Landelijk kampt ongeveer een op de vijf huurders met een betaalrisico – het risico dat het je niet lukt de maandelijkse huur te betalen. Particuliere huurders in Amsterdam zijn inmiddels bijna de helft van hun inkomen kwijt aan wonen. Het gaat bovendien om meer dan torenhoge woonlasten. Lage en middeninkomens moeten grotere offers maken om in de stad te kunnen wonen. Denk aan gezinnen met kinderen op 40 a 50 vierkante meter. Ook is het inmiddels de normaalste zaak voor dertigers uit noodzaak een woning met vrienden of kennissen te delen, of genoegen te nemen met tijdelijk contract na tijdelijk contract na tijdelijk contract.

Ruimtelijk vertalen deze ontwikkelingen zich in krachtige gentrificatie die om zich heen grijpt. Niet langer is het proces beperkt tot een handjevol buurten; inmiddels gentrificeren nagenoeg alle buurten binnen de ringweg A10. Dit is duidelijk terug te zien: woningen worden gerenoveerd, dakterrassen aangelegd, kelders uitgediept en binnentuinen volgebouwd. De openbare ruimte wordt opgeknapt en goed onderhouden; nieuwe winkels en horeca vestigen zich in de buurten en trekken een goed-verdienend publiek aan. Voor huishoudens met een smallere beurs blijft er minder plek over. Zij worden naar de randen van de stad gedrukt, waar nieuwe concentraties van armoede en sociale problematiek ontstaan.

Ook worden ze uit de stad gedrukt: ik noem dit de suburbanisatie van armoede. Deze suburbanisatie is direct – lage inkomens moeten de stad verlaten – en indirect: het lukt lage inkomens bij voorbaat niet zich in de stad te vestigen. Uitgesloten uit de stad, vestigen lagere inkomens zich in voormalige groeikernen in de regio zoals Purmerend, Almere en Lelystad. Nu is het niet slecht wonen in Lelystad, maar om toch een punt van zorg te noemen: in Amsterdam zijn er ongeveer zes keer zoveel banen binnen acceptabele reisafstand als in Lelystad, en de forenskosten verschillen aanzienlijk.

De toenemende ongelijkheid op de woningmarkt bedreigt uiteindelijk een kernkwaliteit van de stad, namelijk die van roltrap en emancipatie. Het ideaal dat je in de stad je geluk kan beproeven. Biedt de stad nog wel voldoende plek en kansen aan nieuwkomers met een laag inkomen?  Om hier interessante dingen te komen doen, om te experimenteren, om hopeloos te falen en om bizar succesvol te worden? Als een stad die kansen niet meer aan iedereen biedt, is het dan nog wel een stad? Of blijft er dan uiteindelijk een opgepoetst maar levenloos stedelijk decor over?

Gelijke kansen in de stad