Opinie: Sociale menging? Vergeet de elitewijken niet!

Deze opinie is eerder in bewerkte vorm verschenen op Sociale Vraagstukken,

Ambitieus mengingsbeleid

In internationaal perspectief is het Nederlandse sociaal mengingsbeleid lange tijd bijzonder ambitieus geweest. Er was de overheid altijd veel aan gelegen concentraties van armoede, minderheden en sociale problematiek tegen te gaan. Een goed voorbeeld is de Integrale Stedelijke Vernieuwing die begin jaren 2000 haar hoogtepunt kende.

Ondanks structurele woningmarkthervormingen blijft sociale menging ook nu nog een belangrijk onderdeel van stedelijk beleid. Zowel beleidsmakers als veel onderzoekers zien in menging een belangrijk middel om arme buurten er op vooruit te helpen, en bij te dragen aan een ongedeelde stad. Andere onderzoekers nuanceren deze positie. Zij benadrukken bijvoorbeeld dat mengingsbeleid wellicht de buurt versterkt, maar dat oude buurtbewoners er vaak niet of nauwelijks van profiteren. Ook is het de vraag in hoeverre menging tegemoetkomt aan bewonerswensen.

Het debat over sociale menging richt zich bijna uitsluitend op buurten onderaan de ladder. Sociaal mengingsbeleid staat min of meer synoniem aan het aanpakken van arme concentratiebuurten. In deze bijdrage wil ik opperen voor een breder perspectief – één die mengingsbeleid in relatie tot de hele stad en woningmarkt beschouwt.

Kwetsbare groepen betalen de prijs

Het mengen van arme wijken door goedkope huurwoningen te slopen of te verkopen, en deze te vervangen door duurdere marktwoningen is de standaard. Een gevarieerder aanbod aan huur- en koopwoningen in verschillende prijsklassen zou voor een gemengdere bevolkingssamenstelling zorgen. Dit beleid heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan een forse afname van de betaalbare woningvoorraad in grote steden als Amsterdam en Rotterdam. In Amsterdam verdwenen er tussen 2002 en 2018 per saldo ruim 30.000 corporatiehuizen door sloop en verkoop. De afname in Rotterdam bedroeg een soortgelijk aantal over deze periode. De kritiek dat mengingsbeleid vaak, al dan niet doelbewust, onderdeel is van stedelijke gentrificatie lijkt daarmee gegrond. Vooral hogere inkomensgroepen krijgen meer ruimte. Kwetsbare bevolkingsgroepen die afhankelijk zijn van betaalbare woonruimte betalen uiteindelijk de prijs voor sociale menging: zij zien zich geconfronteerd met minder woonopties en een verslechterde woningmarktpositie, als direct gevolg van de sloop en verkoop van betaalbare huurhuizen. Dit vertaalt zich in verdringing en uitsluiting.

Zeker, er zijn sociale huurders die de vernieuwing van hun buurt waarderen. Bovendien zijn er huurders die hun urgentiestatus –verkregen als gevolg van de vernieuwing – gebruiken om een betere woning te bemachtigen. Desalniettemin betekent de vernieuwing alles bij elkaar opgeteld nog steeds een aanzienlijke afname aan betaalbare woonopties, voor zowel huidige toekomstige woningzoekenden als toekomstige generaties met een smalle beurs. Tot de gevolgen behoren onder andere een suburbanisatie van armoede uit de grote steden richting voormalige groeikernen, en een scherpe toename van de woonlasten onder sociale huurders. Deze structurele woningmarkteffecten moeten hoe dan ook meegenomen worden in het beoordelen van het succes van het mengingsbeleid.

Elitewijken

Tegelijkertijd laat internationaal vergelijkend onderzoek zien dat hoge inkomens in de regel sterker gesegregeerd wonen dan lage inkomens. Het zijn vooral de rijken die zich ruimtelijk afzonderen, bijvoorbeeld in gated communities, suburbane villawijken of luxe stadsbuurten. Dit leidt niet tot direct zichtbare problemen: het gaat immers om geprivilegieerde wijken die er goed bijliggen en hoog scoren op de “goede” ranglijstjes.

Toch is de ruimtelijke concentratie van deze bovenlaag zorgwekkend. Deze groep heeft buitengewoon veel economische, sociale en politieke macht. Zij oefent grote invloed uit op de staat en ontwikkeling van het land. Dit maakt het problematisch als deze relatief smalle groep invloedrijke elites niet of nauwelijks in aanraking komt met de levens en opvattingen van anderen. Ruimtelijke segregatie is onderdeel van een breder palet aan elite strategieën om afstand te behouden tot andere sociale groepen, om zo hun klassepositie veilig te stellen en door te geven aan hun kroost. Het is goed mogelijk dat de ruimtelijke isolatie van elites in een select aantal buurten nadelige collectieve effecten heeft. Het tegengaan van zulke segregatie “aan de bovenkant” wordt echter zelden besproken: de problemen zijn minder zichtbaar, ingrijpen is extra kostbaar en stuit vaak op invloedrijk verzet.

Woonvermogen belangrijker

Onderzoek van Rowan Arundel en mij laat zien dat sinds 2006 de woningwaardes (WOZ) steeds ongelijkmatiger over buurten verspreid zijn. Simpel gezegd zijn vooral dure buurten steeds duurder zijn geworden, en blijven de goedkopere buurten achter. De ruimtelijke ongelijkheid loopt op.

Deze ontwikkeling geldt voor Nederland als geheel, maar ook voor het merendeel van de grote en middelgrote steden. Vooral de hoge inkomens in dure buurten profiteren. Zij zien hun koopwoning in waarde toenemen, en dit vertaalt zich in de opbouw van aanzienlijk woonvermogen. Deze ontwikkeling draagt bij aan de toch al sterke vermogensongelijkheid in Nederland. Vermogensongelijkheid is bijzonder toekomstbestendig, en wordt overgedragen van generatie op generatie. Het doorbreken van de concentratie van rijkdom in de duurste buurten kan bijdragen aan het terugbrengen van de vermogensongelijkheid onder de rijkste huishoudens – iets wat door ingrepen aan de onderkant van de woningmarkt moeilijker bewerkstelligd kan worden.

Sociaal rechtvaardig mengingsbeleid

Wanneer mengingsbeleid uitsluitend als doel heeft arme wijken naar het gemiddelde te trekken, is afbraak van de betaalbare woningvoorraad het gevolg. Sociaal rechtvaardig mengingsbeleid gaat niet ten koste van de woonopties voor lage inkomensgroepen. Om te compenseren voor sloop en verkoop moeten er dan minstens evenveel betaalbare woningen teruggebouwd worden, in dezelfde buurt of elders – iets wat in het verleden zelden het geval is geweest. Daarnaast moet de sterkst gesegregeerde groep, huishoudens met een hoog inkomen, niet buiten schot blijven. Als we segregatie tussen arm en rijk problematisch vinden, dan moet sociaal rechtvaardig mengingsbeleid zich juist richten op het doorbreken van deze elitewijken.social