Stoelendanspolitiek

Deze column werd op 6 november 2018 uitgesproken bij “De Bestuurders #1: Laurens Ivens en de woningnood”.

In 2007 verhuisde ik naar Amsterdam. Ik kon niet wachten om Maastricht, ook geen onaardige stad, te verruilen voor een échte stad. Ik huurde illegaal een kamer in de buurt van Waterlandplein, met uitzicht op de ringweg aan de rand van Noord. Dat was niet de beste deal, maar toch vond ik het geweldig om in Amsterdam te zijn. De stad bood mij kansen, en doet dat nog steeds.

Dat geldt niet alleen voor mij. Overal ter wereld zijn steden de plekken waar opleidingen, de arbeidsmarkt en liefdeskansen zich concentreren – en oefenen daarom een haast onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op mensen van allerlei komaf. Met mij trokken er vele anderen naar Amsterdam: de afgelopen tien jaar is de stad met ruim 100.000 mensen gegroeid, tot meer dan 850,000 inwoners.

Het is aantrekkelijk de huidige woonproblematiek te zien als een logisch gevolg van deze triomf van de stad. Sinds 2013 – het dieptepunt van de mondiale financiële crisis – zijn de gemiddelde huizenprijzen in Amsterdam met meer dan 2 ton gestegen tot 470,000 euro. Dat is twee ton in vijf jaar tijd; ofwel 40,000 euro per jaar; ofwel meer dan het inkomen van de gemiddelde Nederlander. Lagere inkomens maar ook de middenklasse kunnen de prijsstijgingen niet bijbenen en raken in de verdrukking.

De nadruk op het succes en de aantrekkingskracht van de stad verhult echter de politieke keuzes die ten grondslag liggen aan de stedelijke wooncrisis. Het gevolg is dat onbetaalbaarheid en uitsluiting gedepolitiseerd worden, en als “natuurlijke ontwikkeling” gezien.

Niet is minder waar. In 2007, het jaar dat ik hier kwam wonen, werd er een nieuwe Amsterdamse Woonvisie opgesteld. Hierin viel te lezen dat er te veel goedkope woningen, en te weinig dure woningen in de stad zouden zijn. De gedachte is als volgt: er zijn meer goedkope huurwoningen dan mensen met een laag inkomen, en juist minder dure woningen dan mensen met een hoog inkomen. Bevolking en woningvoorraad zouden dan ook uit balans zijn. De achterliggende overwegingen en definities blijken echter volstrekt arbitrair. Wat is een laag inkomen? Wat is een betaalbare huur? Waarom hebben alleen mensen met een láág inkomen recht op een betaalbare huur?

Duurder wonen is kortom jarenlang gemeentelijk beleid geweest. Met groot enthousiasme zijn betaalbare sociale huurhuizen in de uitverkoop gegooid; of gesloopt en vervangen door duurdere koopwoningen. Tussen 2002 en 2017 zijn er zo per saldo bijna 30,000 Amsterdamse corporatiewoningen verdwenen. Vrijkomende particuliere huurwoningen worden bijna uitsluitend nog in het dure segment verhuurd. De sociale huursector is verworden tot een stoelendans – waarbij stoel na stoel na stoel wordt weggehaald. Nogal logisch dat het moeilijker is geworden een betaalbare huurwoning te vinden.

De gevolgen: mensen met een laag of middeninkomen komen vast te zitten in hun woning, omdat er geen fatsoenlijke en betaalbare alternatieven te vinden zijn; huurders worden vaker geconfronteerd met een betaalrisico; en er vindt een suburbanisatie van armoede naar regiogemeenten plaats.

Politieke keuzes op landelijk niveau zijn hier ook schuldig aan. De Nederlandse overheid heeft een strenge maximale inkomensgrens voor sociale huurwoningen ingevoerd. Door de doelgroep van de sociale sector nauw te definiëren ontstaat er inderdaad een ogenschijnlijk overschot aan sociale huurwoningen. In heel Nederland zien we dat huren steeds meer een laatste redmiddel wordt voor de laagste inkomens; terwijl het ooit opgebouwd is als brede publieke voorziening voor een groot deel van de bevolking. Daarnaast zijn de huren gedereguleerd en worden corporaties geconfronteerd met grote lastenverzwaringen opgelegd door het Rijk.

Het is dan ook al te gemakkelijk statushouders, scheefwoners en expats de schuld te geven voor de krapte op de huurmarkt. Het werkelijke probleem is een structurele aanval op de sociale huursector van bovenaf – en deze aanval gaat volop verder.

Dit is onderdeel van een langlopend politiek-ideologisch project gericht op het faciliteren van marktwerking en uitbreiden van het eigenwoningbezit. Het kopen van een woning is verheven tot ideaal en dé manier om eigen vermogen op te bouwen. De overheidssteun voor de koopsector is gigantisch. De hypotheekrenteaftrek is een jaarlijkse miljardensubsidie, en komt vooral terecht bij hoge inkomens en de banken. Daarnaast is Nederland Europees kampioen hypotheekschuld. Onze koopwoningmarkt drijft op schuldverslaving.

Het stimuleren van de koopwoningmarkt – er zijn de afgelopen 15 jaar zo’n 60,000 koopwoningen bijgekomen in Amsterdam– is allerminst de oplossing gebleken. Als gevolg van prijsopdrijving en strengere hypotheekeisen is kopen steeds meer voorbehouden voor aan hoge inkomens met een flinke zak eigen vermogen. Middeninkomens vallen zo tussen wal en schip: ze verdienen te veel voor sociale huur; maar marktprijzen zijn hen te hoog.

De Franse econoom Thomas Piketty maakte enkele jaren geleden naam met zijn analyses van scherp toenemende economische ongelijkheid. De woningmarkt is een spil in dit systeem. Terwijl hogere inkomens hun koophuis kunnen gebruiken als verdienmachine, zitten lagere en middeninkomens klem in hun vaak te dure huurwoning. Deze klassenverschillen worden bovendien via de woningmarkt overgegeven van de ene op de andere generatie, en zo langdurig in standgehouden.

Bijsturen en de scherpe kantjes er van af halen, volstaat niet. Een ambitieuzere visie op onze volkshuisvesting is nodig om de onbetaalbare en ongelijkheid-vergrotende woningmarkt aan te pakken. Maar dit is een “uphill battle” zolang de landelijke politiek in blijft zetten op hogere huren, deregulering en het inperken van woningcorporaties.