Column: het woonbeleid van de stadsgoeroe

Deze column is op 11 maart 2018 uitgesproken bij het FairCity verkiezingsdebat.

Amsterdam is razend populair. In tien jaar tijd is de stad met ongeveer 100 duizend mensen gegroeid. Dit blijft niet zonder gevolgen. De druk op onze woningvoorraad is immens. Er is sprake van een nieuwe wooncrisis; een crisis van onbetaalbaarheid en ontoegankelijkheid. Wie daarbij de grootste verliezers zijn – lage inkomens of middeninkomens – is, zeker in het politieke debat, geen uitgemaakte zaak. Maar bottom line is dat uiteindelijk nagenoeg iedereen geconfronteerd wordt met duurder wonen.

Door de populariteit van Amsterdam zou je kunnen denken dat de stijgende prijzen vanzelfsprekend zijn. Een simpele wet van vraag en aanbod. Maar dit naïeve idee wil ik bestrijden. Een reeks politieke keuzes liggen ten grondslag aan de huidige veranderingen op onze woningmarkt.

Deze politieke keuzes zijn gemaakt op zowel nationaal als gemeentelijk niveau. Ik zal vandaag het gemeentelijke niveau centraal stellen.

Stedelijk beleid is zich steeds meer gaan richten op het plek bieden aan, en naar de zin maken van, hoogopgeleide en goed verdienende personen. Dit komt duidelijk naar voren in ons woonbeleid. De belangrijkste wijziging sinds pak ‘m beet 2000 is de krimp van de corporatievoorraad – en de daarmee samenhangende groei van koop. Tussen 2002 en 2017 zijn er in Amsterdam netto bijna 30.000 corporatiewoningen verdwenen. Tegelijkertijd is de koopvoorraad met bijna 60.000 woningen gegroeid.

Ik wil hier niet ingaan op de vraag of dit goed of slecht beleid is. Voor sommigen mensen pakt het positief uit: degenen die willen en kunnen kopen. Voor anderen is dit beleid duidelijk negatief: degenen die aangewezen zijn op een betaalbare huurwoning.

Ik wil echter ingaan op de vraag wat de redenen zijn geweest voor deze grote omslag. Op gemeentelijk niveau zie ik twee cruciale beleidslijnen.

Stimuleren van koop

De eerste bevindt zich op de schaal van de buurt. Er bestaat een bijzonder sterk idee dat een gemengde buurt beter is. Een aanname hierbij is dat met wie je een buurt deelt, invloed heeft op je levenskansen. Arme mensen zouden profiteren van de aanwezigheid van rijke mensen in hun buurt. Rijke buren zouden goede rolmodellen zijn, of nuttige sociale netwerken kunnen aanboren. Denk maar aan de familie Flodder. Zij werden verhuisd naar een nette wijk, wat hun gedrag positief moest beïnvloeden.

Daarnaast zijn bestuurders en politici bang dat sociale problemen zich in bepaalde buurten ophopen en daardoor onbeheersbaar worden. Sociale menging is een manier om deze problemen onder controle te brengen. Mengingsbeleid komt vaak met de beste idealen tot stand. En ik hecht zelf óók veel waarde aan menging.

Maar we mengen altijd arme buurten – niet de Apollobuurt. Hierdoor weten we ruimtelijke segregatie vooralsnog te dempen. De prijs voor deze menging wordt echter betaald door de lage inkomens. In de vorm van minder woonkansen, en hogere woonlasten.

Een tweede beleidslijn bevindt zich op de schaal van de stad als geheel. Amsterdam waant zich, net als heel veel andere steden, in een constante internationale concurrentieslag. Om sterke economische groei te realiseren en hoog te scoren op allerlei, vaak tamelijk nietszeggende, ranglijstjes.

Stadsgoeroe Florida

Lange tijd was het adagium: je moet plek bieden aan de creatieve klasse om die concurrentieslag te kunnen winnen. Dit idee kwam van Richard Florida. Een ware stadsgoeroe. In zijn boek The rise of the creative class uit 2002 betoogde hij dat succesvolle steden de creatieve klasse weten aan te trekken. Heb je dat voor elkaar, dan komen de grote bedrijven en het grote geld vanzelf. En die creatieve klasse zou je volgens Florida kunnen lokken door hippe, diverse en ogenschijnlijk authentieke binnenstedelijke wijken te creëren. En door hen een woonplek te bieden: duurdere koopwoningen of vrije sectorhuurwoningen.

Gentrificatie sluit hier naadloos op aan: dit is immers het proces waarbij oude arbeiderswijken worden omgetoverd tot hippe buurten voor de bovenlaag van de bevolking.

De ideeën van Florida vielen in Amsterdam wel in de smaak. In 2003 sprak Richard Florida in de Westergasfabriek voor een uitzinnig publiek. Waaronder veel lokale politici en ambtenaren. De gemeente had daar 50.000 dollar voor betaald.

En zo werd gentrificatie een officieel beleidsdoel. Arme buurten moesten verbouwd worden tot hippe buurten, ten koste van betaalbaar wonen. Voor mensen die niet tot de creatieve klasse behoren is minder plek. Maar ironisch genoeg wordt uiteindelijk ook de creatieve klasse zelf geraakt.

Gentrificatie en de duurder wordende stad hangen dus  niet vanzelfsprekend of onvermijdelijk maar hangen samen met beleidskeuzes.

Lange tijd werden deze beleidskeuzes nauwelijks ter discussie gesteld. Maar dit gebeurt steeds meer. Denk maar aan het begrip gentrificatie.  De term is in Amsterdam inmiddels wel redelijk ingeburgerd. Dat was tijdens de vorige gemeenteraadsverkiezingen van 2014 nog wel anders. Mijn hypothese is dat het bekend worden van de gentrificatie niet alleen door mij zelf komt, maar ook door het feit dat steeds meer mensen het proces om zich heen zien, en de gevolgen voelen.

Het is positief dat we het er nu over hebben. Dit biedt kans na te denken over de ontwikkeling van onze stad. En welke politieke keuzes er te maken zijn.