Column: De politiek van een nieuwe stedelijke armoede

 

Deze bijdrage is op dinsdag 29 mei 2018 uitgesproken tijdens het seminar “Sociaal werk in de stad” voorafgaand aan de lectorale rede van Lex Veldboer.

Foto: Phil Beard (Flickr, Creative Commons)

Steden als Amsterdam worden geconfronteerd met een steeds grotere en diepere wooncrisis. Ik zal in deze bijdrage de politiek achter deze wooncrisis blootleggen, de ruimtelijke dimensies ervan benadrukken, en de gevolgen aankaarten. Ook met het oog op het bredere thema van vandaag, sociaal werk in de stad.

Wooncrisis

Het kopen van een woning is in toenemende mate voorbehouden aan tweeverdieners met een vast contract en een hoog inkomen, die bovendien een flinke zak eigen vermogen meenemen – of dat geld natuurlijk van de ouders krijgen. Reguliere woningzoekenden leggen het af tegen investeerders die woningen opkopen als beleggingsobject. Tussen 2013 en 2017 zijn de gemiddelde woningprijzen in Amsterdam met 160 duizend Euro toegenomen. Dat is 40 duizend Euro per jaar. Ter vergelijking: dat is meer dan het gemiddelde inkomen van de Nederlander.

Tegelijkertijd valt de Nederlandse overheid de sociale huursector aan. Zeker in de grote steden zijn goedkope sociale huurwoningen in grote getalen verdwenen door sloop als onderdeel van stedelijke vernieuwing, en door de uitverkoop van deze woningen. De Amsterdamse corporatievoorraad is tussen 2002 en 2017 gekrompen met zo’n 30 duizend woningen. Ook in Rotterdam zijn er in die periode netto 30 duizend corporatiewoningen verdwenen.

Woningcorporaties worden bovendien geconfronteerd met aanzienlijke lastenverhogingen. Een goed voorbeeld is de jaarlijkse verhuurdersheffing van bijna 2 miljard euro. Amsterdamse woningcorporaties moeten ongeveer 2 maanden aan huurinkomsten direct afdragen aan de staatskas. Verhuurders die hun woningen in de dure marktsector aanbieden worden daarentegen ontzien. Zij hoeven die heffing niet te betalen. Je wordt kortom financieel gestraft als je woningen in de betaalbare huursector aanbiedt.

Tegelijkertijd is toegang tot de sociale huursector steeds verder beperkt. Voorheen konden ook middeninkomens aanspraak maken op een sociale huurwoning, maar sinds 2011 gelden strenge maximale inkomensgrenzen. In een recent rapport over de sociale staat van Nederland bevestigt het Sociaal Cultureel Planbureau dat sociale huurders steeds vaker tot de laagste inkomens behoren. Van goedkoop scheefwonen – sowieso een discutabel frame – is nauwelijks meer sprake: nog maar 5% van de Amsterdamse sociale huurders heeft een hoger middeninkomen.

De sociale huursector huisvest niet alleen steeds meer lage inkomens, maar kent ook een steeds grotere taak in het huisvesten van mensen die te maken hebben met allerlei sociale problematiek. In de woningmarkt-literatuur wordt deze ontwikkeling “residualisering” genoemd: er blijft een kleine sociale huursector over, welke functioneert als een sociaal vangnet – voor degenen die echt niet anders kunnen. Als het even kan, moet je je zien te bedruipen op de vrije markt.

Zie hier de huidige door de overheid gecreëerde wooncrisis: prijsstijgingen maken de vrije markt onbetaalbaar, terwijl de toegankelijkheid van de betaalbare huursector onder druk staat.

Gentrificatie

Huidige ontwikkelingen kennen ook een duidelijk ruimtelijke dimensie. Krimpgebieden hebben te maken met heel andere problematiek dan de populaire steden. Overheidsbeleid richt zich steeds meer op het versterken van de succesvolle groeigebieden, in plaats van het dempen van ruimtelijke ongelijkheden. Alle ballen op de Randstad is tegenwoordig het devies.

Ook binnen de steden worden ruimtelijk oneven ontwikkelingen gefaciliteerd. De woningmarkt wordt vrijgegeven aan de markt in de populaire centrale buurten. Opwaardering wordt hier nog een extra duwtje in de rug gegeven. In deze buurten voert door de overheid gestuurde gentrificatie inmiddels de boventoon. Oude arbeiderswijken worden opgeknapt, woningen worden gerenoveerd en tegen de hoofdprijs verkocht, en hippe horeca wordt aangetrokken. Stadsbesturen doen er alles aan om door middel van gentrificatie de nieuwe middenklasse aan zich te binden.

Lange tijd was gentrificatie slechts een kleine tegenbeweging. Het bleef beperkt tot enkele eilandjes in de stad, terwijl het wegtrekken van de middenklasse en stedelijke verloedering de dominante trends waren. In Amsterdam bleef gentrificatie aanvankelijk beperkt tot de westelijke eilanden en de Jordaan. De invloed van gentrificatie op de stad en haar bewoners was dan ook niet zo groot. Inmiddels breidt gentrificatie zich als een olievlek uit over onze steden. De invloed van gentrificatie op hoe onze steden functioneren, en de betaalbaarheid en toegankelijkheid van wonen, wordt steeds groter.

Gevolgen

De media en politiek lijken zich vooral zorgen te maken om wat deze ontwikkelingen betekenen voor middengroepen. Tijdens de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen buitelden links en rechts over elkaar heen om te benadrukken hoeveel ze wel niet zouden doen om de politieagent, de onderwijzer en de verpleegkundige aan een woning te helpen.

Deze groepen hebben het inderdaad lastig op de huidige woningmarkt, zeker in steden. Maar mijn stelling is dat de lage inkomensgroepen – de groepen aan de onderkant – het nog veel lastiger hebben.

Helemaal onderaan zien we dat het aantal dak- en thuislozen in Nederland de afgelopen jaren scherp is toegenomen. Falende volkshuisvesting speelt hier zeker parten.

Kijken we iets verder dan zien we dat andere lage inkomensgroepen ook buiten de boot vallen. Hierbij dient wel een belangrijke disclaimer geplaatst worden: voor zittende bewoners is de huurbescherming doorgaans nog goed geregeld. Dat betekent dat de acute dreiging van verdringing in Nederland wel meevalt in vergelijking met andere landen – de VS voorop.

In plaats van directe, harde verdringing zien we in Nederlandse steden meer uitsluiting. Huishoudens met een laag inkomen komen vast te zitten in hun woning, omdat er geen betaalbare alternatieven voor handen zijn. In Amsterdam is bijvoorbeeld het aantal nieuwe toewijzingen van sociale huurwoningen in 10 jaar met 40% afgenomen. Een gigantische afname in kort tijdsbestek. Het niet kunnen verhuizen is vooral problematisch wanneer de woning te klein wordt door gezinsuitbreiding of te duur door baanverlies. Ook na echtscheiding is het prettig als je kunt verhuizen.

Daarnaast nemen de woonlasten van huurders in heel Nederland scherp toe. Vooral onder nieuwe huurders. Een toename van betalingsproblematiek is dan een logisch gevolg.

Ook ruimtelijk tekenen de gevolgen zich af: in mijn onderzoek heb ik laten zien dat momenteel sprake is van een suburbanisatie van armoede. Steden zijn altijd de plek waar relatief veel armoede te vinden is – steden bieden immers ook kansen om op te klimmen – maar momenteel zien we dat die armoede in toenemende mate geëxporteerd wordt. Nieuwe armoede concentraties ontstaan onder de rook van de steden, in voormalige groeikernen als Purmerend of Almere.

We zien nu al dat de gemeente Amsterdam vooral in de stedelijke periferie “ontwikkelwijken” – buurten met een stevige sociale opgave – heeft aangewezen.

Ten slotte zien we ook de opmars van precaire woonvormen: voorbeelden zijn het uit noodzaak delen van de woning of het afhankelijk zijn van semi-illegale woonvormen. Bovenal blijven jongvolwassenen in nagenoeg heel Europa steeds langer bij hun ouders wonen, en keren daar vaker terug. De reden is dat zij geen betaalbare zelfstandige woning kunnen vinden. Dit is vooral een opkomend probleem onder jongvolwassenen van bescheiden komaf. Met arme ouders. Zij weten zich het minst te redden op de voor hen vijandige woningmarkt.

Al deze ontwikkelingen: de uitsluiting, de hogere woonlasten, de suburbanisatie van armoede, en de toenemende precariteit zijn uitdrukkingen van het feit dat er steeds grotere offers – of trade-offs – gemaakt moeten worden. Het is daarbij vaak geen keuze om die offers te maken, maar bittere noodzaak. Anderen vallen buiten de boot.

Zorg

Wat betekent dit voor sociaal werk? Allereerst bepaalt de woningmarkt simpelweg waar we sociale problemen kunnen verwachten. De huidige suburbanisatie van armoede is mogelijk een teken aan de wand. Maar de woningmarkt heeft ook mogelijke invloed op sociale problematiek. De Amerikaanse  socioloog Matthew Desmond beschrijft overtuigend hoe slechte woonomstandigheden niet alleen een gevolg, maar ook een oorzaak van armoede zijn. Hij benadrukt daarbij vooral de negatieve invloed van huisuitzettingen.

De krimpende sociale huursector moet in toenemende mate sociaal zwakkeren huisvesten. Hier ligt een toekomstige opgave. Nieuwe concentraties van armoede, maar ook van sociale problematiek, ontstaan in stedelijk buitenwijken. Zolang huidige ontwikkelingen op de woningmarkt voortduren lijkt het me lastig voldoende tegenwicht te bieden met specifieke, lokale interventies – zoals we zien met de Amsterdamse ontwikkelwijken.

Ook in Nederland kan de huidige wooncrisis kwetsbare groepen treffen. Denk aan de toenemende offers die gemaakt moeten worden om de huur op te kunnen hoesten. Denk aan de nadelige effecten van klem zitten in een ongeschikte woning, of het niet kunnen verlaten van het ouderlijk huis. Denk aan de verschuiving van armoede naar de periferie, uit het zicht van de stedelijke elite. Rutte 3 – net als Rutte 2 – zet bewust in op afbraak van de sociale huur, en het terugdringen van huurbescherming. Huishoudens aan de onderkant zullen dit voelen – de vraag is of dit een recipe for disaster zal blijken.